vijftiende hoofdstuk.
Florence, vandaag heb ik weer 'n uur langer gearbeid. Zus heeft 't toegestaan en m'n broer keek er van öp, dat ik 't zoo lang uithouden kon.
Florence, meid, lieve blonde prachtmeid, 't juicht in m'n ziel alsof er 'n nestje kinders, 'n koor zit te verjubelen. Mijn ziel en mijn hoofd staan weer gevuld met goddelijke werkbe-geerten, precies als vóór m'n ziekte. Maar nu pas ik meer op !
Dezelfde ontroeringen onderga ik wel, en 't heele leven grijpt me weer telkens aan, maar ik laat op den dag en 's avonds vooral mijn geest wat beter rusten.
Ik heb weer heel alleen gewandeld, en 's middags met Aay.
Dat heerlijke ventje geeft me 'n groot geluk, 'n prachtige naïveteit van leven. Ik proef zoo weer de kinderziel en 't onbezonnen kindergeluk, in zijn omgeving, zóó zuiver en kristalklaar dat ik er ganschelijk van betooverd sta.
Soms wordt het mannetje me te druk, voel ik mijn ellendige slapte en uitputting in de schouders, rug en beenen ; laat ik hem gauw schieten en stap op 't rustbed. Maar van middag was 't 'n zaligheid met 't gouden droomertje rond te zwerven tusschen den zomerbloei van veld en weg.
Ons huisje ligt hier in de laaiende zon, heelemaal open met 'n lekker-boersch tuintje achter en voor. Om ons heen akkers en geurende duingrond en éven van ons af de glanzende zomerzee. Er zijn hier duinen met 't wonderste möskoloriet. Lieve, je zoudt er van ontstellen, zoo goddelijk ! Iedere minuut van den dag vind ik wondermooi. Ik haal adem van tien schepsels,