217
staan, storm, schimmig, maar ontzettend van smart-werkelijk-iieid.
Je wist dat mijn liefde zou blijven, altijd, altijd, en toch voelde ik toen al, dat ik je op een of ander keer smeeken zou van me weg te gaan.
't Demonisch-onmensclielijke erin vond ik van zoo wreed-alles uitscheurende smart.
Mijn ellende schroefde zich strakker om m'n hoofd, want nu begreep ik dat ik jou meesleepte in m'n verdoeming, jou jonge vrouw, die dezen keer haar tooverstaf in geheime kringen rond mijn ziekbed had gekeerd, zonder dat er 'n wonder uit opgroeide.
IV.
Eindelijk na worstelende nachten kreeg ik mijn zelfbeheer-sching weer terug. Ik doormijmerde mijn toestand met een immens weemoedsgevoel voor jou ! Maar ook dat gevoel kwam overwonnen door al wijder en uitzinkender berusting.
Ik zou er niet meer over peinzen en angstigen. Wel schrikte ik hevig voor 't moment dat 't jou gezegd moest worden, maar daar over heen zag ik toch al met berusting wat er gebeuren moest.
Wat jij doen ging zou goéd zijn !
In mijn toestand, wilde ik niet stapelgek worden, moest een geweldige verdringing van abnormale verlangens gaan leven. Jaloezie en angsthuiver moest uit me gerukt.
Beter dan ooit zou ik mijn liefde voor joukunnen vergeestelijken.
Kon ik niet meer terugstreelen met m'n verlamde handen, niet meer opvangen je heerlijke kussen op m'n brandenden mond, kon ik niet meer omtasten je meisjeslijf en aan mijn hart drukken je heel innigste goddelijkheid, ik zou toch nog je schoonheid zien, je leefgeur opsnuiven, je hooren spreken, en ik kon heel smetteloos en voluit met je denken, voelen, leven met den geest en de ziel.
Ik voelde rustig en breed dat ik mij moést overwinnen en