2lS
dat vroegere gevoel van doodstillen vrede kwam weer in me aansluipen. Dat groote ontroerende gevoel, alsof er iets heel lichts in ine leefde, boven alle somberte uit. Aan dat alles-objektiveerende, oppermachtige en boven alle vernieling, me-zelf uitdragend sentiment liefste, heb ik 't zeker te danken dat ik niet waanzinnig werd van snikkende smart en hopelooze ellende.
Nee lieve, lieve droomster, laat ik je 't hier nu zeggen met 't zuiverste en hevigste levensaccent aangeven,.... geen sterveling die zöö iets niet doorleefd heeft in vollen omvang kan beseffen 't leed dat mij toen vermorzelen wilde.
Een groote energische wil, een alles, in kunstkoncepties omscheppende ziel en geest die snakten naar aanraking met het machtigste en teederste leven, in zóó'n droefnis van dagen en nachten neergeslagen met 't hijgende besef dat ik jou verliezen gi»g !
De hel was ik ingejaagd, en achter mijn hielen aan ruischte 't vuur van pijn en wanhoop ! Toen voelde ik aan den lijve dat er levensleed is die den mensch in één dag vermag te grijzen ; die dc verbijstering en den mijmerend-stommen waanzin kunnen brengen in wreedsten en meest tragischen vorm.
V.
In die nachten gebeurde 't Florence, dat ik veel wakker lag, niet slapen kon.
Vóór mijn ziekte had ik nooit nog 'n slapeloozen nacht doorgebracht. Nu, altijd in bed, zonder lichaamsvermoeiing, de blanke of mistige dagen half sleurend in de guré avonden, in een dommel, verdooving en angsttoestand, sliep ik 's nachts bijna niet meer.
Mijn verlamming had ik rustiger als noodlotsfeit voor me genomen.
Soms kreeg ik plots, 'n heete gisting in mijn geest, om er uit te stormen, maar als ik dan m'n lichaam voelde als om-stapeld met gewichten, die mij aan 't leed vastmoerden in strakken span, dan rilde en verkoelde ik van zelf.