214
groot leven, en het doorwerkt materiaal vandaan moeten halen ?
Want m'n grootste Verbeeldingen, m'n wijdste voorstellingen met haar geheel eigen gang van dramatischen bouw en wetten, met haar psychologische afwikkeling van toestanden, moesten toch, hoe ook geschapen met de dramatische en epische Ver-beeldingsintuitie, gedragen zijn, door een in alle richtingen doorleefde realiteit hoe kort ook.
Ik zou in de onstuimigheid en heerlijken wisselingsdrang van mijn geest daar stumperend en onmachtig op één plek blijven neergeblokt liggen.
Ontzettende marteling die mij dreigde !
Dat was de man die het leven in al zijn magistraal beweeg op zich wou laten instormen, die het heele menschbestaan in z'n geluksroes en passiën, in zijn opgroei en ondergang hoorde opdonderen en weer wèggalmen ; de man die het heele leven zag koken om zich heen, 't hoorde mokeren en kreunen, zingen en sterven, — dat schepsel zou in 't vervolg in 'n stoel ,t leven bekijken en hen die toevallig zijn levenshoekje uitdwaalden.
Ik zou de natuur bezien.... in m'n stoel! Ik zou de zonsondergangen, de stad, 't land nooit meer alleen, alleen zien ; nooit meer mijn strand en duin alléén doorzwerven. Ik zou niet meer los en vrij tusschen mijn strijdende broeders kunnen gaan. Ik zou voortgerold worden op 'n karretje, de pijnlijke grilligheid en prikkelende verveling ondergaan van lieden die je bijstaan.... Want Zus, Zus was eenig! Ik zou in alles geholpen moeten worden als 'n kind ; in alles, begrijp je lieve ? Ik zou de ziekelijke onbeholpenheid van mijn eigen lijf dag aan dag, uur aan uur, in machtelooze schaamte door vernederingen en geduld voelen wegvreten. Ik zou m'n jeugd op 'n ziekenstoel zien verflensen als 'n afgesneden roos, dorrend duf in onwelriekend water van 'n te nauw bloemkelkje.
O ! hoe vond ik dat 't leven me vernederd en gestriemd had als 'n wezen met grove knuisten.
Florence, zoo ik op die momenten de fysieke kracht bezeten