213
voelt naderen, overpeinst dat ie verder z'n gansche leven bewegingloos zal moeten afslijten.
Je weet kind, hoe elke soort afhankelijkheid met demonischen afschuw door mij gehaat wordt. Denk je nu eens, in mijn gewaarwordingen van toén.
Daar lag ik, gebroken, 'n kerel van vijf en twintig. Ik, die het hééle leven had willen onderzoeken. Ik die alles wilde zien, overal wilde indringen. Ik, die de grootst mogelijke fysieke kracht en vrijheid van beweging moest bezitten om mijn arbeid uit te houwen zooals ik dat zélf wenschte. Ik, die jaren had gedroomd van dat heerlijk-avontuurlijke leven, waarin alle maatschappelijk bestaan, van de somberste misdadigerswereld tot de kringen der hoogst-geestelijke en maatschappelijke aristokratie door mij in beeld gebracht zou worden; gedramatiseerd en psychologisch geprojekteerd als 'n epos van moderne-Homerische omvatting; dat ik zou geven als 'n epotheoze der menschheid, 't allergrootste epos met al z'n hartstochten en droefnissen, met al zijn gestalten van geluk en schoonheden ; waarin ik wou uithouwen het moderne leven, den groei der samenleving in al z'n uitingen en verschijningsvormen, daar lag ik nu vernield. Ik, die het gevaar, de moeite, de taktische komedianten-vaardigheid om in allerlei geboeftekringen mee te leven, mee te ademen tot in 't hart der dingen, van zoo'n goddelijke bekoring vond ; ik die heel mijn werkplan en koncepties
op gansch die levensvrijheid gebaseerd had,____ daar lag ik,
nu als 'n hoop oude kleeren, in elkaar gekreukt, verlamd, half-sprakeloos, met de sombere hoop alleen nog maar m'n leven lam te kunnen afslijten op 'n stoel.
Eerst had ik geschreid, heet en bang, met den snik van een gemartelde wanhoop er tusschen gevlijmd, dat ik mijn werk niet kón voleindigen. Nu lag ik verpletterd onder 't besef van mijn verder doelloos en machteloos bestaan.
Waar zou ik kunnen zien, vrij, zónder menschen bij me, 't bosch, 't land, de zee, de groote stadswoelingen van Londen en Parijs desnoods Amsterdam. Waar zou ik m'n epische groepeeringen van