211
macht nog niet om de viool te wekken uit 'r peins. —
Maar als ik éven kan ga ik weer spelen, zal de wondre stem van mijn oude viool je ontroerend roepen en lokken uit die helsche stad. —
O! als ik nu al kon. Ik zou willen spelen met 'n gebroken rug, maar nü, nü lieve zou ik bezwijmen.
IL
Ja lieve, ja, ik zal verder vertellen van mijn ziekte, nu mijn viool je nog niet kan verhalen.
Na jou weggaan kind, viel er een angstige stilte om m'n ziel.
M'n gedachten verzwierven wild, woest rondom de sombering van mijn onmacht.
Eiken dag kwam mijn innige vriend en dokter, en eiken dag nam hij kleine proeven.
Nu, in de lichte kamer zag ik pas wat 'n vermoeid gezicht hij zelf had, hoe dof en uitgedoofd van glans z'n oogen achter de brilglazen stonden, hoe besluiteloos en slap z'n mond lijnde. Ik voelde ook dat hij mijn toestand eerst te gunstig had beoordeeld, dat hij nu zélf zeer ongerust begon te worden.
De waakzaamheid van Zus was zoo groot als ooit, en haar humeur éven innig, en zacht als op den eersten dag. Ik had haar gepaaid 't zoontje 'n uurtje aan mijn bed te zetten, dat godszonnig fantastje, met z'n heerlijke oogen vol droomselen en reinen kinderpeins, — maar m'n dokter weigerde, wist hoe ik daarop reageerde. Genoeg voor Zus om er geen letter meer van te reppen, en me af te wijzen met haar fijne, krachtige zachtheid. Ik wist wèl dat zij, als ze afgelost werd door de verpleegster, nu en dan 'n uurtje haar zoontje met broer liet overkomen. Maar nooit sprak ze me van dat wonderzieltje, dat zéker naar oom David vroeg. Niets verklankte ze van z'n leventje om elke emotie weg te houden.
Eens vond ik dat veel te stroef, maar later begreep ik, hoe goed 't mij gedaan heeft.
Met mijn dokter hield Zus soms lange fluistergesprekken,