Veertiende Hoofdstuk.
Florence! Wat 'n heerlijk schrijven nu weer van jou! Dat was mij een ochtend van licht! Nu zal ik je nog spoediger zien misschien ?
Maar neem je toch in acht kind. Werk niet te veel. Ik weet er nu nog zoo alles van.
Het grootst en machtigst opneemvermogen is toch mènsche-lijk begrensd.
Lieve, vrouw, kind, speelsche wijze en gloedvlinder, ik kus je, kus je heel héél lang!
Koninginnepage, met den violetteeren weerglans van je droomoogen! ik roep je! ik roep je heel, heel lang!
Lieve, laat mijn snikkende schreiend-verlangende ziel niet langer wachten.
Weet je lieve, weet je, mijn viool is ook niet meer! Ik kan, ik mag niet spelen!
En haar klank, haar zingen en neuriën was me zoo heilig, haar weemoed en jubel, in dat éénzame natuurleven hier.
O! die oude viool, wat mènschelijks is er aan en om 'r ? Hoe ligt ze nu te peinzen in d'r duffe kist, over mijn zwakte en beroerdigheid. En ik smacht kind, smacht, naar d'r wonder-zangrige klankziel. Ze kan wèenen met een zachte stem van innigheid en klankdroeve toonpracht. En ze kan schertsen, lachen, stoeien, jubelen met 'n zilver geluid en zoo mènschelijk timbre, dat je omkijkt en zoekt naar 'n ziel.
O! lieve, je weet 't niet, hoe lief ik mijn viool heb. Ik zou er nü m'n jubel niet op kunnen uitstorten. Voor jubel hoort óók lichaamskracht. En al stoeit en juicht 't in m'n binnenste om al het goudlicht dat mijn oogen weer zien en mijn levensverlangen weer indrinkt, mijn handen hebben de