209
heeft 't bekorende van 't zeer echte. Ik ruik haar geurige mondainerie. Ik weet er de bodemlooze oppervlakkigheid van.
En toch, met haar pluimenhoed heeft ze de geurende gracie van 'n trotsche valkenierster, is ze de aktrice van een wondre charme!
En als ze met me spreken, Florence, haat ik die ijdele, praalzieke, beuzelige boulevard-blommen, die met haar perversie de diepe schoonheid van de vrouw-natuur verkrachten. Ze zijn gonzend, opgeblazen, naijverig, koortsen van jaloezie, broos als 'n pop en valsch als 'n wolf. — Ze zijn klein en babbelzuchtig.
En toch zijn ze mij, zoo figuratief, in die helsche stad, van een goddelijke charme, tusschen het groote gewoel van het ontzaglijke krioelende leven daar. Alleen om haar smaak al, haar hoogst vatten van de prachtpoëzie der vrouwenkleeding, alleen al om haar met ragge vingers beroeren van 't harmonisch tintenspel, 't begrijpen van lijnen en stijl, de wonder-gave om van een schoon vrouwelichaam, éénmaal gekleed, de schoonheid mèt de kleedage te laten samengroeien.
Al zijn ze klein en bespottelijk bij de tunika en de natuur-charme der Grieksche vrouwen, ze hebben toch óók haar eigen mooi! Maar de arkadische gracie van m'n plompe, heupwiegende en roodrokkige melkster is mij éven lief, bij wie de wei-wind de wangen poeiert en van wie de heupen trillen van levenskracht.
13