2o8
heid. De fransche vrouwen dragen, als ze oorspronkelijken smaak hebben, haar kleeren logisch-mooi. Elk onderdeel is verzorgd en meegegroeid in de samengevatte rankheid van haar heel lichaam. —
Zie, hoe elk lijntje van haar puntige kokette hakje tot haar prachtigen pluimhoed een groote aesthetische verzorging geeft, en hoe de gracie van haar beweeg de schoone leest en heel de gestalte tot 'n natuurlijke charme wiegt.
Zoo'n francaise, met het tintprachtige of kantragge spel van haar onderrokjes, in moirée of zijde, in citroengeel of vuurrood, is 'n bewegend princiep van levende aesthetika.
Ze heeft den fijnen geur van het schoone öm haar en de pracht van haar lijf weet ze te vatten in plooien en draperie, die bestudeerde eenheid wordt mèt den ranken en eigenen groei van haar lichaam. — Zooals ze haar oogen aanzwart, haar wangen poedert, heel fijn, en brauwen stift, haar huid emailleert, haar nagels laat verzorgen, heel haar blank lijf koestert, baadt, verzorgt en doorgeurt met de ragst-doorgevoerde distinktie van lichaamsweelde en verfijnde omkoestering van batisten en zijen stoffen ; zooals ze poëzie brengt in de fijne pracht en gracie van haar ondergoed, zóó ook voert ze dóór de logische mooiheid van haar avond- en ochtendtoilet, is elk onderdeel van haar kleedage in verfijnd evenwicht, honderdmaal doorzien met de eigenheid van haar persoonlijk mooiheidsbesef.
IV.
't Is ijdel en broos en uiterlijk, niet lieve ? En zoo'n schepsel is toch maar 'n egoistisch, koket, leeg ding, dat in de eigenlijke ontaarding van 't gekultiveerd mooi, met haar poudre de riz, haar viooltjesgeur, haar boulevard-zwijm, en grande kokotte-charme, 'n steenhard, diep ongelukkig leeghoofd blijft......
Maar ze is toch, zoo trampelend daar staand, heel mooi, vrouwelij k-fijn, voornaam, prachtig trotsch, en van 'n fiere, grande-kokotte-stacie. Haar aristokratische weelderigheid