207
op de straatsteenen, lijnen zich prachtig haar rok en mantel-plooien mee.
Ik ken haar niet lieve, maar wat is ze charmant en rank en wat 'n verrukkelijke gracie heeft 'n mondaine vrouw toch die zich zóó prachtsmaakvol kleedt; zoo elke tint van onder- en bovenkleedage in harmonie brengt, zoo verzorgd, doorgeurd van hooge distinktie.
Wat 'n prachtwezen is toch 'n vrouw, en wat 'n overrompelende schoonheid rankt er in de lijn van haar taille, in den opgroei van haar lenige lichaam.
Zie, daar staat ze, in schijn doodeenvoudig, haar eene handje in de mof die ze nu en dan op 'r gezicht drukt. Haar adem stoomt achter 't mofje wèg en telkens, met heele lieve en fijne trekjes, haalt ze haar voile even van d'r neusje en mondje af. De plooitjes van haar mantel en rok vergeuren 'n fijn intiem vrouweleven. — Ze is 'n artiste, dat zie ik aan elk klein gebaar. O haar gestalte is van een wonderlijke bekoring en lenige gracie. Ze stampt weer met haar fijn gelakte schoentjes op de straat. Ze heeft 't koud en ze wacht! Wat prachtig wordt nu dat figuur, die wachtende trotsch-fiere vrouw, dat omvoilde mooi-strenge gezicht, 't ongeduldig gedoe van haar handjes en voetjes, de gebaren van de mof en den zoelen geur van haar kleeren die haar gracie nog aansterken.
Zie, nu richt ze haar voile heelemaal óp uit ongeduld, 'n tipje blijft even voor 't voorhoofd hangen. Ze is heel bleek, van 'n strenge, heerschende mooiheid. Alleen haar mond is fijn-wulpsch, smachtend en week van hoeklijntjes. ■— En nu 't voiltje weer nèer. Nu is ze heel anders mooi, vrouwelijker, liever, zachter, genaakbaarder. Haar fijn trampelen is heerlijk. — De kleine wrevel op d'r bleek-fijn gezicht is heel teeder, en 'r bronzen oogen vuren. —
O lieve, wat is 't toch innig, als 'n mooie vrouw zich zoo weet te kleeden; met een chic, die oorspronkelijke drapeeringen aan den lijngroei van haar kleed geeft; die, schoon geboren uit het smaakvolste en fijnste overleg van den geest met de schoonheid, een indruk geeft van hooge ongekunsteld