203
of er menschen zijn, die grinneken zullen om dat heilige vanmijn geestesliefde ?
Ben jij niet toch van mij ? Zie ik je niet zoo, met een snikkende overgave van heel mijn diepst en zaligst geluk ?
Ik zei je toch, aanbiddelijk meisje, dat ik geen oog, geen oor, geen hand, geen brein, geen ziel van wie ook noodig heb om dat verrukkelijkste van 't leven te voelen, hevig te ondergaan.
Die schoonheid, die verteedering, die behoefte aan de hoogste religie van zieleliefde leeft in mij met zoo lievigen drang, die bevende verrukking en uitstraling, dat ze mij verteert, dat ze mij als doet sterven van genot.
Is er grooter geluk dan naastenliefde, menschenliefde, grooter dan hooge vriendschapsliefde ? Ze zijn alle gestalten van die eene groote en heilige zieleliefde voor jou !
Het sentiment er van moet van een goddelijke religieuze ontroering en diepte zijn !
En wat kan mij 't schelen of 't hier of ergens anders beschreven staat.... Leeft niet echt gevoel van schoonheid en geluk nog onzeggelijk veel dieper in de stille ziel....
Florence, goddelijke vrouw, je schemert aan en wèg voor mijn verbeelden als 'n princessebruidje van heel uit de zangerige oude tijden. Je stem is als 'n wondre ballade !
Je zweeft aan, zoo argeloos, zoo droomziek, zoo wonderlijk broos en betooverend van schroom.
Er is geen zinnebegoocheling noodig om je zoo te zien leven.
Bruid ! bruid ! in een zilverraggen droomnevel geweven.
Wat stil staren je droomoogen, in droeve diepte en innigen schrik achter de sluiering van je aangezicht. Hoe helder staat de fijne neig van je luisterend hoofd te vangen 't zilveren gerucht van iets heel liefs uit de verte !
Luister je naar 't vervluchtigend geluid van 't verruischende leven, en durf je nu niet naderen 't gegons van de machtige wereld ?
Droomprincesje, wat staar je goddelijk-lief en weemoedig van teedren luisterangst....