202
Ja liefste, allerdierbaarste, ik snak naar je liefde, naar je zielsgeheimen.
Boven de zinnetastende werkelijkheid, drijft in 't rijk der groote kosmische stilte, de visioennäire werkelijkheid. Al hooger in mij stijgt die impuls naar 't zuiverst geestelijk leven, als de sfeer der goddelijke menschelijkheid mij maar steeds omvloeit.
Ik doorstijg alle sferen van aandoening en gedachte en het machtigste, grootsche, naast 't teederste en idealistisch-innigste leven dat jij in me opwondert Florence, jij die alles in me samenvat. Want dat is het groote en jubelende geluk van mijn leven, dat ik al de levens in mij, de tienvoudige oer-voeling van het meest tegengestelde, tot harmonische oplossing breng.
Ik heb alle driften in mij en toch liggen ze overwonnen zonder onverschilligheid, zonder praal. Ik heb alle aandoeningen, de vernielende zoo goed als de scheppende, en toch liggen ze beheerscht, zonder weemoed-naspel.
Een ruisch van iets hemelsch gaat er over mijn schoonheids-sluimer heen ; iets als tonenschemer.
Ik kom en daal uit de sfeer van het platonische wijl ik dat moet, wijl mijn menschennatuur dat in mij wil, zooals die zelfde menschennatuur mij ander keer weer opheft tot de hoogste ziele-liefde.
Zoo woelt er telkens een demonische macht in ons die de prismagloeiïng van de hoogste Ik-heid dooft, de fierheid" breekt, klein maakt, machteloos, zinnewoest en menschelijk nietig. Zoo een andere weer die kleinheid neutraliseert, de machteloosheid opheft, de zinnerazernij kalm strijkt, een sidder van jubel en heerlijkste schoonheidsontroering door ons heen-stuwt, een kracht die ons bevende, arme menschenschepsels vergoddelijkt en in stomme verrukking laat ademen.
Zie ik je nü, na die erkenning, onwezenlijk, in een droomleven ?
Florence, vrouw, verrukkelijk meisje, wat kan 't mij deren׳