201
Hoor het leven zingen ! Is dat 't sombere aardbestaan van mijn angsten en droefnis ?
Zie ik daar niet 't zwoegen omglansd met wonderbaar licht ?
En hoor ik niet de schreiende menschheid nu te zaam als 'n ruischende zee ?
't Leven zingt en de menschheid schreit ?
Florence hoor ! Schreien ? Schreien ? 't Is geen schreien : 't Is de zachte murmel van 'n lied dat aandeint!
Ik zie meer menschen, al hooger en verder en hun aangezichten stralen van een rustig en glanzend geluk.
Is dat nu 't droeve aardbestaan ?
Florence, verklaar mij dat wonder. Toovert jou liefdesstaf dan alles voor mij om ?.... 't Schreien in lachen,.... 't droeven in zang,.... 't klagen in jubeling ?
Is dat een stijgen van 't aardsche naar 't hemclsche Florence ?
Gebeuren al deze dingen in den diepen bloei van mijn visioe-nairen geest, en ook wijl mijn aardsche liefde voor jou, telkens en telkens weer opgaat naar die smettelooze verrukking waarin ik je niet begeer als lijf-vrouw, maar alleen als symbool van 't allerhoogste en verhevenste levensbeginsel ?
Is mijn vergoddelijking van je menschelijkheid omglansd met 't wondre licht van mijn hoogste aanbidding ? Zingt 't leven dan niet zélve dat poëem in mij ?
Florence, ik smeek je, antwoord, antwoord Florence !
Ik hoor nu je lach, je zilver-trillenden zangerigen lach.
Florence, zeg ! zou 't '11 droom zijn van woest romantisme ?
Zeg dat dat niet kan, niet kan.... Want ze was altijd in me, van kind tot man.
O ! nu begrijp ik je lach en den zilverenden zang van je stem. Dat alles is symbool in mij, niet waar ? Heel die onrustige slingering van het kleine, morrende leven, naar 't groote vast-innige welbehagen is niet alléén in mijn men-schelijk voelen voor jou gemerkt, maar ook er bij, de groote vergeestelijking van ons beider Ik tusschen het Ik van de menschheid.