200
stumper ben, 'n zwak, klein wankelend mensch. Zie 't niet als 'n konfessie zooals er schijn-heiligen doen, in religieuse opdringerigheid sprekend van hun individueele zonde en zon-daarscha.
Zóó spreek ik niet, wijl ik aan geen individueele zondedracht geloof, en wijl ik 't 'n walgelijke komedie vind, dat ikkige zondaarsbewustzijn voorop te dragen, in alle gesprekken, in alle gedachten. Ik zeg alleen dat ik wankel vaak, klein ben, omdat ik mènsch mij weet.
Ik strijd voor geen persoonsverreining zoolang de wereld in zoo groot wee kreunt.
Maar mijn liefde spreek ik uit, en dan zeg ik je lieve, dat al mijn menschelijke kleinheid en zwakheid, mij 't hoogste, 't allerhoogste niet onthouden heeft, dat is de Liefde en 't Schoonheidsbesef. Ik verlang 't allerhoogste in Liefde ! En ik weet, dat 't allerhoogste wat 'n mensch van liefde en schoonheid in zich kan bergen, óók in mij geborgen is, tusschen mijn zwakheid, kleinheid en stumperigheid in.
Ik heb jou en de menschheid lief met m'n opperste vermogens.
Soms kan mijn gevoel bedolven liggen onder zorgen en droeve dagdingen. Maar plots staat 't in mij óp met 'n geweldige majesteit, rukt me mee, sleurt mij door hel en hemel en in hijgende verbazing laat het mij overal neerstaren op 't groote leven. Dan zie ik mij ademen in 't hoogste geluk, voel ik in mij opgestaan een groote en almachtig-mènschelijke wijsheid.
Ik heb van niemand 'n zintuig noodig ; geen oor, geen oog, geen hand, geen gedachte !
Ik zie en voel 't machtigste en teederste leven door eigen ziel in harmonie met de al-natuur en in harmonie met 't maatschappelijk leven.
Ik kijk öm en ik zie je naast me.
Wat zijn je handen blank als 't bloemenzij van witte kam-panulaas. Wat is je lichaam hoog en edel. Wat is er voor een mythe-schijnsel in je oogen. Schijnt er een zonnewolk achter je haren ? Wat zweeft en weeft er toch om je Florence ?