198
van een vuurvlieg ? En stortte over 't hoofd der joodsche bruiden geen trossen gouden regen neer ?
Lieve, 't noorsche leven en zijn mystische diepte heb ik doorleefd als 't Oosten.
Er zit een koele, blonde, analytische drang in mijn hart, en een stomme taal, die mij alleen van 't Noorden spreekt.
Ik heb de mythologie van het Noorden met een snakkende liefde in mij, zooals mijn gevoel is voor jou blanke wezen. — Ik heb de ijsvelden en 't witte wonderlicht van sneeuw en kou overgleden met m'n verbeelden.
O lieve, hoe goddelijk en stil van verrukking leeft in mij de oer-pracht der eerste Germaansche liefde. — Als de harmonie en de ijle muziek van m'n zielevrede weer in mij terugkeert, zoo rein en zoo blank en zoo rustig, dan is mijn hart vol van dat mythologische minneleven.
Het Noorden leeft in mij, met z'n zacht-doorgloeide mystiek en z'n kristallen bloei van heel fijn en gezond geestesgenot. Maar vooral de lieidensche dramatiek van 't Oer-Germaansche is van een overrompelende heroïek en pracht, die mij nog veel nader staat dan de wellustkleuren, de zoele specerij enz wij m van 't Serail en zinnebedwelming der oostersche erotiek, dan het flonkeren van de gouden koepeldaken in diep allee, dan 't branden der moskeen.
De zonneboog kleurt de hemelpoorten daar met wondre vuurbloemen. De trage zee loomt en verruischt er een zoet verhaal van minnesluimer en zonnigheid, en zoo zingt je het gansche Oosten de ooren voorbij, in kleurigen hittezwijm en verdooving.
Er zijn dagen dat mijn ziel niets liever hoort en mijn oogen niets trillender inluisteren. Maar van veel langer duur leeft in mij de fijngrijze, blankteedre harmonie van het noorsche ; blond en licht, nevelig-zilverend en toonrag als z'n mystische natuurpracht. En omspeelt van zijn wondre mythologie, en van z'n heroïsche schimmen-figuren, is mij het Noorden vol van tooverig leven.
Er is een Edda waaromheen suizelt een eeuwige stilte van roerlooze pracht.