dertiende hoofdstuk.
Lieve, ik heb 't Oosten doorleefd, en de wonderen van de gouden tropen met d'r zingende wateren, d'r gloeiende glanzen en vogelen-paradijs stonden óm-mij gerijd in zonnevuur,
Ik heb er de volkeren gezien, in hun wondre gracie en gloed, in hun zonnende praal, in hun trillend koloriet, als paradijsvogelen en parkieten, in hun smaragden goud, hun licht en tooiselen.
M'n verbeelding heeft er van verhaald in de roode zonsondergangen aan 't strand.
Ik heb de zwartlokkige vrouwenpracht gezien in stacie en praal van het bijbelsche Oosten, en de geuren van ceder en mirre zijn mijn zinnen doorvloeid.
De roos van Saron geurde haar wondre reuke van weelde en zinnezwijm rond m'n hoofd, en de zoete aloë stroomde mij toe over de Zee.
Lieve, lieve, ik heb in 't Oosten geleefd met gloeiende zinnen en verliefd hart, en er al de zaligheden gekend van de tropische nachten, de wondre vrouwen en meisjes.
Ik heb er de gouden vruchten zien vlammen in de zonnehitte, en kende er de nacht-geheimen van de duisterende cyprus-boschjes.
Ik heb er dartelende kinderen zien dansen in naakte schoonheid, en de liefde der mooiste vrouwen zien uitvlammen tot een goddelijk vuur van begeeren.
Maar liefste hoe nu ?
Ik heb 't Noorden doorschouwd als 't Oosten en ik ben er in verzonken van geluk.
Volgde hiér mijn verbeeldingen niet 't schitterend arabesk