196
't op mijn bebloede handen, met al z'n smarten, al z'n geweld en bloem-zonnigheid.
Ik heb jou tooverstaf zien verbleeken en dan weer vergroeien voor mijn verwonderde oogen tot levenopwekkende pracht. Zooals Sintrens onder de fakirs met glurenden angst en heilig gebeef de schoone dingen van hun droom-begeerten uit het Niet zien opgroeien, tot geurend en kleurend werkelijk gebeur, zoo zag ik tot mij komen wat ik verlangde, wat blank en zilversprokig rond mijn zachtste droomen had gezweefd.
Daarvan nog iets liever 'n volgend keer, en dan weer 't droeve verhaal van mijn ziekte.