ICjl
Ik wil je smetteloos zien bloeien, onaangetast, door geen menschenhand gegrepen.
Droom meer dan mènsch !
Je moet bloeien als 'n groote roode bloem in 't diepste woud, die plots' verschijnt, d'r prachtkelke opent, d'r geure uitademt, d'r roode glanslicht vergloeit, en stil weer verdwijnt.
Maar zal ik dan niet weer heimwee voelen weenen door m'n vereenzaamde ziel, als ik daar sta, te midden van 't woelende menschdom ? Zou ik jou warme menscheborst niet meer zoeken en ronddolen in 't wilde leven met z'n woeste en stille schoonheid ?
Wat helpt 't of een avondzon je in m'n verbeelden omschijnt ? Wat helpt 't of ik de hemelen in rooden brand zie staan, als ik jou niet zie ? Jou oog niet, jou gezicht niet, jou lichaam niet ? Wat helpt 't als ik 't vogelentierelier hoor fluiten en luiten in den avond als zoete minnemelodie, als ik jou handjes niet zie gebaren, je rok niet hoor ruischen, de plooisels in je kleed niet kan tellen, en den geur van je meisjeslijf niet inadem ?
Florence, kan ik je zoo liefhebben, zóó als 'n roode bloem in 't woud, nooit naderend, nooit aanrakend ?
Spreek lieve, spreèk !
Waarom ben je geen vrouw als alle andere vrouwen ?
Waarom mag ik je niet minnen met m'n ziel en m'n passie, in saamstoeiende kracht ?
Waarom niet in die verrukking van leven die ons dc dagen doet zien als 'n paraclijshal waarin de menschen jubelen in 't gouduitvloeiende licht ? Die ons de nachten doet voelen als zilvren festijnen onder den wolkenloozen starrekoepel ?
Lieve, ik zoek je oogen en je handen.
Waarom moet er zangerige heimwee in me blijven snikken, heimwee die mij smart en toch zalig is. Min ik dan mijn droefnis ?
Maar weet je Florence, weet je, dat al 't weemoedige in mij, altijd soms gauw overstroomd wordt door de zonnige pracht van een groot levensgeluk.