i8g
vervloeit in den subtieleren groei van het tweede liefdesbe-geeren, ideëeler, hooger, zuiverder van leven.
Dan zie ik je van me vervreemden, maar heel bizonder vervreemden. Je wordt me niet vreemd als mensch, maar ik vind je intiem-verrukkelijk vreemd. Ik voel je vreemd, zooals ik een Lieve-Vrouw vreemd vind. Heelemaal in goddelijke aanraking met iets bövenmènschelijks en toch wonderlijk intiems. Ik zie naar je óp als naar de moeder-gods, toch niet met vergoddelijkte, maar met vermenschelijkte teed're aanbidding. Ik zie je heerlijk, intiem-vroom, die wond're moederoogen, die stille madonna-handjes om 't kindeke, die schroom-zalige verrukking om den mond.
Ik nader je als haar, in zoete verrukking om dat hoog-goddelijke, dat blanke en stil-stralende in je, die moederluister, dat smetlooze en toch mènschelijk-fijne en lieve. En ik aanbid je, zooals ik in haar aanbid, dat wondre symbool van 't verhevene in 't moederschap, 't moederleven.
't Leven om je heen staat in gouden luister gespannen en 't bovenmenschelijke van de madonnasfeer zie ik dalen naar de aarde over je meisjeshoofd.
Die uren, die dagen, die nachten Florence, je zoo te zien, in die sfeer, dat sentiment, als de vergoddelijking van heel mijn innigste en diepste vrouw-vereering. Zoo naar je op te zien, uit de verte, stil, vol schroom eiken tred van je speurend, zonder natrilling van den lichtsten lijfshartstocht ! O ! dat is de groote, m'n heele ziel in zaligheid onderdompelende verrukking van mijn leven, die ik doorleef met vurigheid en teederheid, in mijmering en jubel.
Een zonnebosch volgeflonkerd met wondre schijnsels is heilig en schoon niet ? Zoo bèn je !
Een stormzee razend zilveren zuilen van schuim verwentelend en verbrijzelend, de rit der woeste orkanen te hooren demoniseeren in gillenden loei en branding is schoon niet ? Zoo bèn je ! Een stille, wonder-innige avondmaan in 't woud,