187
Ben ik dan 'n dwaas, dat ik alles om je heen zie vergloriën tot gulden pracht ?
Ik zie alleen jou en ik hoor alleen van jou ! Een ieder dien ik spreek is er vol van.
Je bent zoo stil, zoo stil ! Waarom lieve ? Zeg toch wat, zeg toch wat !
Je bent zoo stil en eenvoudig, 't Schijnt mij een allerhoogste begoocheling, je verschijnen en je naast-mij n-zij-ruischend gestap, en je haar en je handjes. Maar 't is alles écht waar, echt, want iedereen ziet 't en zegt 't.
Als ik Zus vraag hoe ze jou vindt, dan zilvert er 'n traan in d'r oogen, en met 'n stem vol vereerende ontroering, zegt ze heel gesmoord :
— Dat is geen mensch ! zóó mooi.... zóó mooi.... dat is geen mensch !
Dan word ik eerst even bang, bang voor 't bovenmenschelijk mooie en stille in je leven.
En spreken m'n vrinden over je, dan is 't met 'n alles ver-plechtigenden eerbied !
En al die bewondering gaat om je heen. Je hoort er nauwelijks naar. En je bent als 'n liefdezuster die haar gouden jeugd koesterend verwaakt bij ongelukkige grijsaards of zieke kinderen.
Maar nu heb ik je weer.
Je loopt weer naast me. Parijs gromt, dreunt en kraakt om je heen. Je lichte stap zweeft.
Ik hoor weer je rokgeruisch, en alle mannen staren je na om je ranke meisjeslijf, je wondren gang en schoonheid, je simpele statie en god'lijke charme.
't Witkanten kraagje om je hals verschittert 't zonlicht om je heen in blanken krans, en nog schooner blondt je hoofd naast mijn donker haar.
En langs je gaat 't demonisme van Parijs in allerlei gestalten. Je ziet er nauwelijks naar.
Maar Florence, kijk nu eens, kijk, kijk !
Je wandelt, je droomt, je peinst, en alles blijft in 't blanke gesternte van je wezen in evenwicht.