86
Is daar niet een goud geschijn van heel zacht licht, en trillen daar niet onrustig de gouden wimpers van je fijngebogen leden ?
Snik je Florence ? Snik je ?
Ben je hevig ontroerd ? Wil je zoo niet zijn ?
Ach lieve, lieve, vrouw van vergoddelijkte pracht......
Waarom ben je niet als alle andere vrouwen. Waarom zie ik niet je naakte schoonheid ; niet de pracht van je blanke, teedre vel; de welving van je heerlijken moederboezem. Waarom zie ik je niet in 't naakte vrouwenmooi, omschaduwd van je eigen meisjesschroom.
Er is in mij zelfs een bange schuchterheid om je te naderen.
O ! die zachte schaduw en dat ragge licht dat je heerlijke naakte lijf om je lendenen leit.
Is er ooit zoo'n heilige schroom in 'n vrouwegestalte gehuiverd ?
IX.
Florence, Florence, nu verschijn je me toch weer als vrouw.
Snik niet langer.
Ik vergoddelijkte je niet in suggestieven drang naar eigen mooi. Want mijn ziel deed 't zelve, zonder mijn wil, zonder mijn passie.
Florence, snik niet langer. Sta niet verbleekt in stille ontroering.
Je bent weer m'n vrouw.
Ik zie je weer zooals je me wachtte aan 't station te Parijs.
Ik zie je naar me toestappen, ik ruik den heerlijken geur van je kleeren, dat zoete geheim van je meisjesleven. Elk plooitje in je mantel en rok is me razend lief. Ik snik in je armen en ik bedwelm onder den geur van je borst. Dat is daar 'n wonder van goddelijk leven.
Ik heb je weer vast en ik durf je omhelzen !
Ik zie je naast mij gaan. Wat is alles wonderlijk lief en fijn om je en aan je.