!84
Toch lieve, na mijmerende ontsteltenis kwam weer aanschuifelen in mij het tweede begeeren, dat altijd komt en heel, héél lang bij mijn arme ziel blijft toeven, met zacht innig gefluister.
Dan meisjen, dan ging 'n sterke man wcenen. Stil weenen in de rust van zijn kamer, of buiten, vèr buiten aan de gouden mist-zee als er niets van de golven te zien is, als er een nevel drijft, eindloos één met den einder, en uit dien gouden nevel alleen 't ruischgezang zingt van de levende zee.
En nog, nog zaliger weende 't in mij om dien verganen hartstocht, als 't 'n zomernacht was buiten, waarin ik stond.
Wat is er goddelijker dan 'n zomernacht in 't bosch bij ons, tusschen boomen en stil vogelengedruisch, en 't zoele wondre gefluister en gesuizel van blaren ?
O Liefste, je kent zelve die diepst-roerenae poëzie en geheimvollen ruisch van een zomernacht, niet kindeke ?
Als ik dan zoo even maar in de avond-verte, van belantaarnd laantje, in 't zachte schijnsel, 'n rood-verdonkerden rok of 'n vrouwegelaat zie opschemeren, rilt er al 'n gelukschok van zalig herinneringsleven door me heen !
In zulke luidlooze en hooggestemde avondpracht, Florence, schuchterde en schuifelde in mij aan, dat tweede, groote begeeren, zoo vroom en simpel als niets dat ter wereld me omgeeft, dat mij roept om gezien te v,-orden. O! ik ken dat goddelijk stil gevoel van aanbidding en rust, zoo zilverachtig, vol van wonder zielegeschijn, zoo blank als maanglans.
Elk zuchtje dan tusschen de takken trilt in mij aan 'n heilig genieten, 'n gevoel van gave, gansche levensomvatting, 'n droomende bezonkenheid en zalige gemoedsvrede. 't Is 'n verrukking die niet koortst, niet hoog jubelt, maar zilverzacht gloeit en fijn kwinkeleert.
Dan zag ik 't groote menschdom en ons léven daarin, en alles omwaasd met 't teederste besef, en tegelijk 't machtigste gevoel van wijdte en geluk.