i83
Florence ! Dat gevoel duurde heel kort ! Als '11 bliksem door m'n ziel was de passie ingeslagen, verdampte daar in asch-zwarte vernieling mijn eerst stil-glanzend geluk. En als 'n hel-roode, fel-gloeiende bloemenperk, in daverend zonnevuur van smorenden zomer-middag, zóó vlamden m'n zinnen aan in kring, duivelend om m'n gestorven geluk.
Mijn goddelijke vreugde, stil en rustig lag daar nu tusschen 't vuur, verkoold, dood, aschvaal.
VIII.
En toch is mijn passie geen wellust geweest in naakte hevigheid.
Want in mij brandt de hartstocht die gaat door alle graden van verrukking naar de opperste schoonheidsontroering.
Ik kan alleen leven in dat allerhoogste van 't Schoone en de Verrukking.
Wat is innigheid die niet 't allerinnigste geeft, wat teederheid die niet 't allerteederste verklankt, wat verhevenheid die niet 't allerhevenste omvat, wat kracht, die niet 't allergeweldigste treft ?
Al die uitingen bestaan voor mij alleen in haar hoogsten vorm, wijl dan 't zuiverst.
En dat geen exaltatie en koorts van den geestdrang, maar een ingegroeid, diep ingeworteld door alles heen-getakt be-geeren en ademen van de ziel.
Jij liefste weet dat ik altijd zoo geleefd heb, dat ik altijd zoo blijven zal.
Zoo was mijn hartstocht voor jou te groot van bovenmen-schelijke aandoening, diepte en begeeren. Er in brandde wel de vurige schoone wellust, maar niet met een schijnsel van vernielende zinnehitte. Wat er om heen waasde en weefde in fijne, duisterder tinten was mij even hevig lief en innig.