78
Laat alleen achter je aanklinken in den^ nacht, 't hinnekend geschater van je verachting!
Lach om de ontuchtigheden, niét van hun liefdedaad, maar van valsche versluiping, om de bemorsing van 't allerhoogste en heerlijkste, de Liefde !
Lach om de ontuchtigheid der bank-sereenen, duinsereenen, plantsoensereenen. Lach om de verborgen schrielheid hunner passies. Lach om den vernielenden hijg hunner beestelijke driften; lach om heel den zinnegoochel en 't valsch geschetter van den be-idealiseerden wellust. Lach om de erfelijke perversie ; lach om al die hunkerende schepsels, die allen Eros en Venus bepleisteren met 't kleverige sputum van hun vulgairheid.
V.
Florence ! lig je te schreien ! Is je haar verbleekt van mijn woesten gedaclitenstorm ?
Gaat er 'n sidder door je heen, nu je weet, voelt, verneemt wat er nog in me leeft ?....
Florence, ik bid je, luister !
Want toch bespuw ik dien Demon ! Ik bespuw hèm met hoon en schaterende verachting !
Ik bid je luister, lieve minnares !
Ik zie de wereld zonder ware almachtige liefde. Ik zie de hartstochten werken, dreunen, stampen, als was de gansche kosmos één ontzaglijke machine-hel van beweeg, gegons, geflikker van spanten en assen, gesis van vliegwielen en gerader van dreunende mokers.
Ik zie de hebzucht, de ommantelde, de verhumaniseerde, de dief-koele, de brute, vlijmende, verfijnde, snerpende en martelende. Ik zie de geldmacht heerschen als de draak in de Nibelungen. En nooit, nooit kan ik mijn levensvisie laten ommisten met schijn en valsche idealiteit, 't Klare gezicht op een groote, bloedende maar hevige, zuivere en machtige werkelijkheid is mij liever dan 't wazige verschiet op een