176-
een huiselijke drukte rond je wemelen. Speel met je kroost als 'n brave, goedlachsche, lummelige vader.
Drink bezadigd je thee,.... doe je zaken, lees je krantje,____
doe je zaken, neem je warme pantoffels uit de handen van je snoesjes, en doe je zaken, vooral je zaken !
Maar bij de goden ! Je liefde is dood, dood, morsdood mensch !
Je groot begeeren is gedoofd, je groot en heilig verlangen, dat eerst in je opgestaan was, je schroeide en gloeide, je be-koortste en in je zong, zong, — dat begeeren is wèg, wèg, vergleden in de duffe matheid van vervatsigend zingenot. Je heimwee naar dat onuitsprekelijk teed're, dat zacht-wazige, dat omsluierde, geheim-zalige gezang van je zieleroep, ligt nu in te snorken. Je poëzie ronkt, je teederheid kwijlt.
Je voelt je als 'n held met hevige buikkramp !
Armzalige vergroeiing, vervunziging van leven.
Daar wiekt ze weg de goudvleug'lige Eros. Nu sloft er 'n schaamteloos realistisch schepsel door de gangen met harde wreed-snauwende stem en drukke rammelmuziek van sleutelbossen.
Op straat loopt gejaagd en bezweet de zakenman, de beminde, de poëet in kraakschoenen.
God in den hemel! 't is afschuwelijk, afschuwelijk !
Met hèm rookt, smakt, sluipt Eros! Met hem drinkt hij borrels, zwaar bier, zwatelt aan de kletstafel, rolt de balletjes. Met haar slurpt hij warme anijs, melkieszoet.
Hij riekt naar kamerstof, gangveegsel en servies-spoelsel.
Met hèm verdient hij geld, scharrelt hij op de beurs, en be-knipoogt ze schuchter de dienstmaagd. Met haar brengt ie de kinders groot; wascht, verschoont, telt ie de huisrekening op!
IV.
O ! ik schater, ik stamp van demonische verrukking ! Hoho ! Hahaha!