dierke begeert, en dat de vlam van je passie haar 't liefdegezicht rood gloeit.
Schreeuw om dat vrouwdierke, roep, maar wees écht, écht.
Geef geen stem en geen zang voor 'n eeuwigheid, geen hoop voor 'n tijd, 'n jaar, 'n dag !
Wil je streelende, lokkende minnarijen, wieg je verbeelding dan niet op den zoeten zwijmel en bedwelmingswaan van de Liefde. Want die is er in niet één !
Na bekoeling van dat zoet-zinlijke, sta je met uitgebluscht hart, uitgebluschte zinnen voor datzelfde schepsel dat je in schijn-idealisme, in poëtische vervalsching van 't allerhoogste je eenig, eeuwig begeeren hebt genoemd.
III.
Kom hier nu, liefdeschepsels!.... Laat je fatsoen werken, nu, juist nu !
Kus je vrouw in schijn even teeder als toen, in extasewaanzin. Houd je kranig !
Blijf in positie ! Laat de menschen zien dat er na je eerste bevrediging niets in je veranderd is. Breng haar glinsterende snuisterijtjes mee. Geef d'r geurige geschenkjes.
Omfladder haar met fijne in scbijn-aandacht natuurlijke attenties. Omstrooi haar met liefde-naampjes, vooral als er menschen bij zijn.
Laat je huiskamer gedrenkt geuren van 'n warme gezelligheids-atmosfeer, van huiselijke rust en harmonische innigheid.
Lach nog eens om 't prachtmondje en den schitter van haar blanke tanden. Strijk nog eens lief en aanminnig over de fijnheid van haar witte handjes. Kus haar 's morgens bij 't weggaan, 's middags en 's avonds. Maar doe je zaken, je maatschappelijk werk, koel met macht en verblindlooze zekerheid.
Doe daar overheen of je'r nog bezit in de gouden glorie van je eerste, zalige verrukking.
Zie 't. gezellige gewoel van de kleuters om je heen. Laat