174
't Was mij walg en weemoed. Ik had de religie van de vrouweziel als 'n lichtend wonder van liefde zien breken in mijn hart. Maar heel kort !
Ik haatte 't woord ,,engelachtig", met hevigen allerdiepsten haat.
De misdadigste rauwheid leek me dieper en zuiverder van levenskracht dan 't liefdesgegoochel van 'n mooie leege vrouw. — Ik heb de wreedheid, duivels zien strakken in d'r woesten waan en vooze romantiek. Ik heb 't vernietigende in haar bekoring en 't lokkende en d'r lachende geheimnissen getard ! Die zielen, vurig en helsch als weerschijn van roode anjelieren !
Wat die sexedrift zich toch mooi kan vermommen ; die lijflijke lusten, daar in poëtische gestalte verschijnend op den drempel van een met klaren schitterdauw beplengde nis. Dat minnekoozen, die tortelende zinnestreel, die koerende minnedeuntjes, twee lichamen in zoeten rythmus bijeenwiegend, ze in valsche verteedering verweekend, met 'n gevoel alsof ze 't voor altijd vast zullen houden.
Juist dat verkrachten van 't Eeuwige en allerhoogste er in, bracht stormende minachting in me !
Drink niet alleen in extase-waanzin den gloeienden adem van je beminde, maar zeg, zèg haar inééns wat je begeert. Omsluip elkaar niet met de in zinnepassie geboren in schijn-teederheid verweekte lievigheidjes. Omgoochel je zoet meisjen niet met 't kirrend geklank van je vol hartstocht doorbeefde stem. Bedwelm elkaar niet met de geuren van je verlangen, met den vurigen zang van je vermooiden omkleurden wellust. Omtoover haar niet met gevlei en zoet geklinkklank van zachte, amoureuze naampjes, — want de hoogste schoonheid is teeder en doorschijnend als 'n gouden avondmist en liefelijk uit-haar-zelve. Omstreel en bekus haar niet, in de al stijgender toon van onzuiver zinnegevoel, dat de gèest verhit en de verbeelding schroeit !
Zèg, zèg, dat je in den schitter van je mannepronk 't vrouw-