173-
Is die ledenpracht, die slanke stijl van wondre vrouwelijn, die bouw niet 't godseigene ?
Is die heele lichte gang, die heel fijne en rijke groei van meisjesweelde en meisjesteederheid voor mij ? voor mij ? Is die tooverij van gouden haar voor mij ? Mag ik die met m'n handen doorstreden, overal waar de gouden schaduw zachte-lijk glanst tusschen den lichtenden gloed ! Is dat blank vroom gezichtje van mijn meisje, dat witte gezichtje, dat goudblonde gezichtje waar levende vlinders om heen wieken hun gouden vleugelzeiltjes ? Is dat 'n meisjen om wier gouden vlechten koerende duifjes zachtkleurige kringen trekken met den blanken dauw van veerenlicht en hun sneeuwwitte vleugels ?
II.
Florence ! liefste ! hoor toch van m'n verleden.
't Was somber in m'n ziel. Er was niemand die ik groot, met innige liefde-overgave liefhad. Ik was jong en trapte op de liefdegestalte. Ik vervloekte den poëtischen schijn, 't valschbeschit-terd idealisme van zoogenaamd liefdes- en levensgeluk.
Ik kon fel bedemoniseeren, in diep-gemeenden vlijmenden afschuw, alle liefdespaartjes die gluiperig elkaar bekusten, zoete naampjes vervleiden en in schijn-zalige verrukking elkaar beknuffelden met hartstocht die tot zelf-ontroering, en innigheid die tot geluk brengen moest.
Ik schaterde, schaterde, feller, demonischer.
Ik zag weer blind gestruikel.
Ik was cynister, wreed, onbarmhartig spotter, fel en genadeloos, met 't zaligste der zaligheid : de liefde.
Naam van mysterie en geheimste levenswet!
Ik zag alleen blind gestruikel. En mijn schater verklonk, demoniseerend, en innerlijk weende ik om m'n verloren geloof ; ik schreide wijl ik eens in volle zachtheid van gemoed de gouden wijsheid van 't leven in m'n ziel had voelen binnenvloeien.
Ik verdoemde de engelachtige streeling van vrouwenmonden !