172-
lichaam siddert, maar alleen lieve, van verrukking. Ik zweef rond als 'n gouden libel in maneglans.
Ik sta in een eindelooze wereld van zilverglanzend geluk, dat mij omstroomt aan allen kant.
Want Florence, ze bestaat, bestaat. Ze bestaat voor mij. Liefde, in hoogste en goddelijkste zuiverheid.
Ik heb gehoord Florence, de woorden van Grooten, die spotten met de liefde, haar illusie alleen voelden leven. Grooten, die in de illusie 't bereiken vonden.
Ik heb gezocht Florence, gezocht in eindeloozen doorjaagden worstel en onrust, in vernielenden hartstocht, in woest begeeren, in gouden zwijmel, zinneroes, in onverteerde ascese, in loutering en overgave ; in smartoffers en onbewust esote-risme van de ziel, in heel de fonkelende toonschaal van orgieënd genot, pas later gezien in de sombere omfloersing van passiën en driften.
Florence ! ik zocht niet meer, ik kon niet meer.
't Leven wierp mij uit, 't Leven dat alleen Liefde is !
Ik lei amechtig van wrange ontgoocheling neer, en in mij, diep in mij weende dat hooge, wondere lied van verlangen, pijpte de minnezang, 'n heimwee en zalig haken naar de allerhoogste, innigste zielegemeenschap....
Toen kwam jij voor me staan.
Hoe schrok ik ! 'n vrouw, 'n mènsch met liefde !
Die lach, die soms plotse klater van geluk, die rinkelende pret, die held're kristallenvreugde, die klare adem van rustige en reine wijsheid.
Jou levensgeur woei op ine aan als d'aroma van 'n drui-venveld. Je verrukkelijke woordjes kabbelden als 't vertelseltje van golfjes tegen schipboeg ; je stem deinde vol, week, zilverend.
Is dat de klank van 'n menschenstem ? Is dat de edele lijn van 'n meisjeslijf ?