167-
den bard voor een zieke. Zus vertelde me later dat 't 'n wonderlijke jongen moest zijn, die altijd dacht aan overerven, en alles deed voor z'n gezondheid,.... zóóveel dat hij er soms doodziek van werd, door overspanning. Maar nooit heb ik meer den loggen stap van zijn dreunvoeten op de trap hooren bonzen, en de stilte achter m'n deuren in die eerst zoo rumoerige kamer was wonderbaarlijk en rustgevend aan m'n toegekneld hoofd.
V.
Vier weken had ik nu in de smoordonkere alkoof gelegen, vier volle weken, toen m'n dokter er toe besloot me achter in de ״gezonde" kamer over te brengen.
Dat was 'n gebeurtenis. In mijn toestand was bijna niets veranderd. Ik had geen hoop meer op herstel. Ik voelde dat ik op z'n gunstigst geheel verlamd zou blijven. Ik sprak er kalm met m'n dokter over, maar die praatte mij moed in.
— Je zult zien kerel, over 'n paar maanden geef je pootjes, ben je weer op de been. Mijn verhuizing naar achter gebeurde op een somberen herfstdag. Ik werd door dokter, zuster en verpleegster overgetild. Onder hun handen voelde ik mij sterven, zoo akelig-machteloos en verellendigd uitgeput was ik. Mijn rug leek van brei, m'n lendenen en beenen van papier.
Dokter bleef nog wat spreken. Ik hijgde, maar antwoordde toch op alles, want mijn geheugen was in veel dingen even sterk gebleven als vóór mijn ziekte. Toen ik wat kalmer lag, niet meer zoo amaechtig en stervens-ellendig, ironiseerde, lachte ik zelfs zacht mee met z'n vernuftige zegseltjes, in 't uurtje van zijn bezoek. Hij roemde mij toen weer als 'n zeldzame patiënt. Nooit had hij een zieke gezien die zoo heele-maal geen apathie overbracht op den medikus, zoo gauw zichzelf vond en beheerschte, en zoo stil kon blijven.
Hij wist dat ik de ellende van m'n ganschen toestand van a tot z had doorzien, en toch nooit merkte hij beklag, gelammeteer. Alleen hoorde hij me nu en dan heel éven erg ont