164-
De ouê brommerige grootvader beneden maakte veel hurrie, bonkerde tweehonderdmaal per dag trap op, trap af als 'n strompelend rhinosserosje. Maar zoo onbehouwen, snauwend, brutaal en loslippig kon hij niet zijn of Zus ging den grombeer te lijf.... op haar manier, met de fijne charme van haar meisjesmooi. Heel zachtzinnig, heel beleefd, toch heel gesereerd hem overtuigend wijzend op den buurschappelijken plicht der inschikkelijkheid.
Hij habaaide eerst heel gemeen en ruw wat tegen.. .. ,,laat die vent in 't gasthuis sijn verleg doen.... nog mooier.... mijn eige trappe....
Waarop Zus weer heel fijntjes wat zei en z'n grofheid verbrokkelde met 't vlijm-scherpe van haar vormelijke, koele terechtwijzingslust.
Na drie keer rumoer, waarmee hij argeloos bewijzen wilde dat hij niet maar dadelijk te temmen viel, leek 't of hij koaut-chouk onder z'n zolen had geschoven, zoo aarzelend doften z'n stappen op de trap. Op die manier had Zus in haar bedeesde toch langzaam in beslistheid opgroeiende kalmte, de juffer rechts, den ouên brompot links, twee kerels kommesaals boven, meneer hier, meneer daar benéden en den heelen trap-buren-kluit van rumoerende, lompe, en vulgair-zinnelijk-doende schepsels, voor mij, tot sluipende en zacht-sprekende wezens gemaakt, slechts nu en dan nog maar uitbarstend, en dan heel kort.
Nu zou Zus ook den ,,jongeling" achter bewerken !
IV.
Zes uur in den avond. Plots 'n zwaar gestommel op de duistere trap, gedreun van den grond, als bij 'n trein in aankomst. De jongeling rukt zijn deur open, stormt binnen. Mijn hoofd ligt in 'n vreeselijken knel geschroefd.
Zus klopt aan bij den bard.
— Binnen !
Jongeling ontsteld____ de juffrouw van dien altijd thuis-