IÓ2
Voor mijn bed suisde 't slapend ademgehaal van de lieve Zus ; 'n endje verder van de verpleegster. En ik in de nachteenzaamheid, klaar wakker.... zonder jou !
Maar iets helsch-onrustig was uit me,.... de angst voor 't gasthuis !
III.
Er werd berekend en overlegd of ik niet de kamer achter mijn alkoof kon krijgen, wijl ik daar, zonder veel straatge-druisch, meer in 't licht lag en toch stil in groote Keizersgracht-tuinen keek.
Nü klonk de ironische lach van 't toeval-leven.
Je was eenmaal bij me Florence, in m'n ziekte daar, niet lieve ? Herinner je je dat Zus je vertelde van 't luidruchtig gebuur om me heen, en je heeft laten zien, hoe alles in dat smalle oud-Amsterdamsche klein-vertimmerde huis, volgepropt zat van menschen. Nu weet je, dat achter mij, op gelijke etage, de zoon van den verhuurder woonde ; 'n jonge robuuste kerel, die doodelijken angst voor zieke menschen en ziekten had. Z'n raam had hij dag en nacht wagewijd open. 'n Ziek schepsel bleef hij, met huivering en vreeze, mijlen uit den weg. Deze jonge buur hoorde ik altijd erg rumoerig stommelen en bonzen, vooral den laatsten tijd, alsof hij met granaten balde. Hij zong, floot, schreeuwde, jubelde met forsche, gezonde luidruchtigheid. De grond trilde, en mijn alkoofdeuren dreunden er van.
Dat alles geschiedde tweemaal daags als hij van z'n kantoor kwam. Hij stormde dan de trap op, schoof langs m'n alkoofmuur, sloeg z'n deur met woesten duw open, ronkte en bonsde rond als 'n nijdige beer in 'n winterhok.
Geen tien minuten was hij thuis of 't dreunbonzen op den vloer begon, telkens onderbroken door een woest gestommel. Dan hoorde ik z'n borst nahijgen, even stilte, dan weer dreun-rumoer, gebons, gehijg en stilte, gefluit, gesmak en weer gehijg.