i6o
Florence, ik zou als 'n kind geschreid hebben als men mij van haar had weggenomen.
O ! dien nacht ! Hoe bedacht ik mijn broer in zijn eenzaam dorpshuisje nu, met den gouden jeugdvogel, 't zoontje in huis ; dat stille rondkijken van den knaap met z'n betooverde oogen, en dat zoeken naar z'n moeder, die al maar wèg bleef.
Hoe hoopte ik dat ik gauw dood of herstellen mocht, dat broer in ieder geval weer z'n vrouw en 't vragende tooverzoontje weer z'n moeder had.
Wat stil stomde dat verlangen van die twee wezens, zonder dat ik ooit 'n klacht, 'n woord Zus erover hoorde reppen.
O ! dien nacht Florence ! Alles lag rustig om me heen te slapen. Zus lag in de alkoof, vlak voor m'n bed, op den grond. Ze loste de verpleegster af.... Ik had haar gedwongen dat ze in ieder geval zou gaan liggen rusten....
Ik zou haar wel roepen als ik haar noodig had.
.... 't Lieve kind ; ze sliep heel zacht en de verpleegster ook.
Eerst Iaat kwam er rust in 't woelige huis. De menschen die ons de woning verhuurden, hadden een winkelhuis, dat zeer laat 's avonds open bleef.
Vlak onder me woonde 'n moeder met 'n kindje, en de grootvader. Moeders eega was stuurman, kwam eerst over anderhalf jaar thuis........
Boven me woonde weer 'n gedeelte van 't verhuurders-gezin, zoodat heel laat 's avonds langs de trappen de opstommelingen van 't gebuur klonken, schrik aanjagend en benauwend. Verhuurders-gezin had pal boven m'n hoofd zijn keuken en alles sliep daaromheen. Achter mijn alkoof, vlak tegen de deuren sliep ook 'n groote zoon van den eigenaar, en op vier, vijf kleine kamertjes daarboven voor de verhuurderij vertimmerd, woonden weer kommesaals, vooze café-chantants-artisten, muzikanten, bierdrinkers, en allerlei luidruchtige grootestads-gasten.
Van ieder kende ik 't gestap en geroep !