59
Mij mocht 't eerst heel omzichtig worden meegedeeld. Maar uit de diepe en avonddoorduisterde alkoof had ik z'n warme en innige stem, versmoord van vreugdeklanken, al lang gehoord. Ik kreeg 'n soort zielskramp, 'n hevigen schok van aandoening. Want ik had mijn gasthuisvervoer al in zóó mijmerende en apathische zorgelijkheid ingeleefd, dat ik ook geen steun meer verwachtte.
Zwak riep ik naar de woonkamer dokters naam en nog wilde hij 'n uitvlucht bedenken om de ware reden van z'n laat-avondkomst te verbergen.
Maar toch, mijn stem, zacht-ontroerd en klankloos, scheen hem heel diep te treffen. Hij kwam op me af, en kort-aandoen-lijk zei hij me dat ik mijn gasthuis-angsten uit den kop kón zetten. Wat lag er 'n milde molligheid in z'n vol orgelend geluid, en hoe vreugdevonkten z'n oogen achter z'n schitterbril.
Ik hoorde hoe mijn uitgever alles had klaar gespeeld bij 'n heel groepje menschen, wat smaad, lompheid, onverschilligheid hij overtroeven wist met z'n prachtig volhouden, en hoe alles goed was afgeloopen.
Dien nacht, — neen kind, 't humorgevalletje komt nog ! — dien nacht sliep ik heelemaal niet van vreugde en innigheid. Ik werd overgloeid van een zalig berustingsgevoel, nu de vrees verdwenen was voor 't sombre gasthuis, met al z'n stervenden en vreemden. Want zeker had ik daar iederen keer 'n anderen dood gestorven, en van èlk lijder, z'n kwaal doorstaan.
En dan, hoe zou ik van Zus afgekund hebben !
Die lieve meisjes-vrouw, met haar blonde pracht, haar fijne, langzaam-indringende bekoring. O ! Ze is 'n geboren ziekeverpleegster, met een diep-zachtzinnige en échte zelf-offering ; met 'n rustige, wijd-gedragene en onbewuste levenswijsheid.
Nooit zag ik haar kregel, al riep ik 'r dwars door den eersten slaap, en dadelijk daarop weer. M'n liefdezuster was 'n zeemleeren pop bij haar vergeleken.