ei.fde hoofdstuk.
In alle tragiek, of liever óm alle tragiek stoeit humor, meestal onbewust; dan des te komischer. De ironie van het toeval is bron van alle kluchtspelen. En zelfs de kluchtspeldichters van aristokratische geestesverfijning, met overal doorheen zwenkend vernuft, hebben dien prachtfaktor niet kunnen buiten sluiten.
Zoo ook in mijn ziekte-drama.
Mijn dokter en mijn uitgever hadden gezorgd dat ik vrees voor gasthuisvervoer kon wègsmijten.
'n Paar beschermelingen van kunst-menschelijke zoogdieren, hadden gemeenschappelijk besloten me niet door 't gasthuis te laten opslokken ; gunden mij een half jaar vooreerst, thuis ziek te liggen.
Mijn uitgever, 'n nerveuze, drukke, maar toch fijn-gevoelige kerel, soms doorstormd van heel-innige buien, had met hart en ziel voor me gewerkt.
Hij wou mij en m'n arbeid zien te redden. In 't begin stootte onze nervositeit op elkander af, als twee elektrische stroomen. Zijn vurigheid gliste wèg op mijn apodiktische scherpte en lichtgeraaktheid. Maar langzamerhand leerden we elkaar toch beter kennen en begrijpen. Wat ik eerst aanzag voor humanistischen truk, in den grond voos eigenbelang, voelde ik in hem al zuiverder aan ; tot ik eindelijk z'n achter veel schijn-sluwheid en koopmansschap verborgen diepere natuur doordrong, en z'n nerveuze maar groote overgave en gulle diepte hoogelijk ging waardeeren. Maar vooral ook m'n lieve vrienddokter, die zelf zooveel had gedaan, hoe kwam hij ons in blijdschap meedeelen dat we vooreerst uit den ergsten nood ge-,!ïolpen waren.