157-
zien. O ! ik ken ze met de vracht van d'r ondergoed, d'r nachtkleeren en slaapkamerchiek....
Maar jij Florence, jij.... jij hebt niets anders noodig dan den goudmantel van je haar, je witte damasten pon je wond're slanke lijf omlijnend, en je gezicht.
Bedluieren is vreeselijk voor mij, ik haat 't bed !
Op den dag lig ik nog, maar hoe !.... M'n gretige oogen wijd open naar de blauwe of zilverblanke lucht, die door dra af d staat van wolkentochten.
En de peinzende dorpsstilte hier over de velden is me een zaligheid; de wei mij een wijde eeuwigheid, zacht volgezon-gen met m'n brandend verlangen naar jou, en in 't hoog-ruischend rythmus hoor ik 't groote menschenlied zingen, breeder dan de zonnewaaier, en 't goudglanzend watergespiegel alom....
En ik werk weer, ik werk weer Florence !....
In die paar woorden is 'n geluk te verjubelen met honderd zangschallende klaroenen, in 't fijne goud van de lucht en den lentedag.