55
niet lezen, heerlijke zegginkjes van jou, die daar nu ergens in huis lagen, zonder dat ik wist waar ; 'n wondende, diep-wondende kwelling !
Wat zou er in staan ? Zou je 't voorvoelen dat ik zóó ernstig was ? Zou je toch uit je zelf komen ? O ! mocht ik haar zien '
Maar plots kreeg ik kracht.
Ik wou niet meer denken, wou niet meer mezelf martelen. Ik moest rusten, rusten, me vervelen. Ik moest geeuwen, ontspannen, me voelen versaaien.
De hevigste rug- en hoofdpijnen verminderden mijn levenskracht niet en m'n belangstelling in alle dingen als de nerveuze verstikkingen maar wegbleven.
Ik was nu voor goed tot de zekerheid gebracht dat ik bijna geen beweging meer maken kon ? Ik voelde door m'n geteisterde lijf 'n verlamming loomen, alsof ik met de zwaarste gewichten op bed vastgesnoerd lag.
Een uitgezenuwde verslapping. Bij elk zwak geschuif van m'n hoofd ging er een verdoovingsstroom door mijn beenen, borst en armen. Achter m'n schouderbladen striemden pijnen en groef 'n vreeselijke machteloosheid al mijn kracht weg. Ik had 'n gewaarwording alsof daar elke zenuw en vezel ont-weven en langzaam 't lichaam uitgetrokken werd.
Nu en dan had ik 't heel zonderlinge gevoel alsof ik kromp en dan weer veel te lang werd uitgerekt ; soms of ik ademde, niet meer met m'n mond maar met de borst, de voeten, de knieën, om beurten.
Nergens was iets akuuts en toch onderging ik de hevigste pijngewaarwordingen en fysieke smart.
Nü nog zijn rug en schouderbladen doorschokt van die ver-zwakkings-ellende.
Maar nu ik de hemelzee zie en 't lentelied hoor ; nu ik weer met hun prachtvlucht en goddelijken lijnzwier, m'n zwaluwtjes zie vliegen, hun zilveren witbuikjes scheerend langs den licht-zonnigen grond ; nu ik weer hoor m'n mollig-zang'rige tapuitjes en m'n met goudbrons-gloed omveerde spreeuwen ; nu ik de