53
den benauwenden zwaren geur van een ziekelcamer. Ik heb er 'n jaar achtereen in geademd en 't was me of ik in een krocht ergens half verstikt en verwurgd lag. Er is geen angstiger geur voor me geweest dan karbol en jodium.
't Werkte niet narkotisch op me in, maar weenend weemoedig.
Als ik nü nog ergens voorbijkom waar ik jodium-lucht opsnuif, dan doorhuivert me al een bang, ziekte- en ellende gevoel.
Ik krijg dadelijk visioenen van donk're gasthuizen waar een allerdroefste menschengroep ligt te verkwijnen tusschen hooge, sombere muurwerken.
Ik hoor 't gesteun en gekreun van stervende sjovelen, vervreemd van alles in die doorgrauwde gasthuiszalen. En ik hoor kraken de vale kribben en reutelen de in doodstuipen verheeschte stemmen.
Mijn God, mijn God ! wat 'n troostelooze wolken drijven er van daag in de hemelen ; rouwstoeten en katafalken. Wat 'n grauwpaarse daken triesten er in de schemerende stad ! Wat 'n zware doorstormde luchten, donker en smoezel als 'n rookhel, dampzwart over de aarde duisterend.
En daar de gasthuizen, ver uit 't licht, naar de sombere achterwijken, tusschen wat droef gepui en gebuur.
Verstilde gasthuizen, waar verstomde smaad door heen schreit, als zeezang in schemerzacht.
O ! die karbol en jodium-lucht!
Florence, Florence, ik kan niet meer !.... Laat mij uitsnikken !
Gasthuizen, wat zijn ze anders dan een stervende wereld voor sjovele melaatschen ?
Een wereld van wonden en bloedingen, 'n verettering van jeugd en hoop ! Schatert de Dood er niet ieder uur, iedere minuut ? En is er niet een worstel tusschen zijn blinkzeis en de krampige, terugsleurende wanhoopshanden van 't Leven ? — Loopt 't geluk er niet met schaamte, als vermagerde gestalte, onder de schriklijke staar-oogen van den Dood ?