152-
verende zwarte fluitpijlen, noodlottig en bang versissend in een eind'loos nachtruim van angsten.
't Was 'n heillooze overrompeling en 'n marteling waarvan ik niemand bijna durfde spreken. Alleen stamelend even aan Zus.
Toch wist ik dat mijn wil gauw terugkeeren zou, kennende de oer-gezonde kracht van mijn diepst wezen, om de lugubre duiveling van een doodenwereld terug te duwen, een wereld die in mijn verbeelding spookte en demoniseerde, m'n voorstellingsleven een macht gaf, waarvan ik zelf huiverde.
Voor 't laatst nog dacht ik aan de Place de la Roquette, waar ik vroeger uren had rondgezworven. Dadelijk daarop stond een innig vriend voor mij, op Montmartre wonend. Ik zag 'm, sprak 'm aan, en bang doorflitste me de gedachte : hij is anarchist.... O ! als de rampzalige maar nooit 'n dolle daad doet.
't Was weer genoeg. Ik zag 'm al gaan, z'n handen op den rug bijeengesnoerd, hals ontbloot, smadelijk en gebroken voortstrompelend tusschen den mompelenden priester en den hooghoedigen beul. Ik had hem gevolgd in zijn schrik, als hij in den groen-valen schemer van z'n cel 't schrik'lijke messtellage ziet opdoemen. —• Ik zag hem nu gaan, 't mes door z'n nek kerven.... zooals ik op de la Roquette, dat stomme ontzettende bloedhoofden-visioen als dierlijke terechtstellingsdaad me zoo dikwijls had ingeleefd.
Maar dat was 't laatste wezen dat m'n gemartelde verbeelding uit mijn vriendenkring aangreep. Ik voorvoelde dat 't uit was met die verbijsterende dramatiseering van 'n voor-stellings-realiteit die veertien dagen en nachten m'n gekrenkt leven nog meer rammeide, me met 'n verhoogde hevigheid van beklemming doorsidderde, en mijn wil tot onderbreken, had lam gelegd.
God, mijn God, Florence, wat 'n ondragelijk wee is et in