157-
krabben met vlijmscherp geschaar, of 'n bang zien aansluipen van langpootige griezelspinnen, en karikatuur-skorpioenen.
Niets, niets daarvan !
Alleen was 't 'n geheel zelfstandig doorwerken van den plots in scheppingsdrang gestuiten geest, in de lijn van voor-afgeganen arbeid.
't Bleef immanent scheppen, 't Tragische en pathologische ervan was, dat ik alles versomberde.
Ik dacht b.v. aan jou ! Ik zag je gaan langs 'n boulevard, tusschen de kleurige menschmassa, omstormd van groot stadsgerucht.
Als er nü eens 'n opstoot kwam.
Bom ! daar hadt je 'm al! Nu bleven mijn gedachten niet bij de veronderstelling, maar gingen zuiver scheppend aan 't werk. M'n verbeelding en m'n dramatische groepeeringsgeest doortrilde, doorstampte al m'n denken. Ik ging werken, werken. Ik zag dien opstoot zooals ik 'm moest zien wanneer ik hem beschrijven wilde. Ik doorleefde den toestand dan tienmaal banger en met meer spanning, omdat jij tusschen dien menschenwoel dobberde. De realiteit er van werd al scherper, groeide aan tot 'n vreeselijk gebeur. Dan was mijn wil weg om mijn voorstellingsleven stop te zetten. Ik kon niet, kón niet ophouden. Ik moest elke faze ervan versomberd doorleven. Ik vervloekte de geweldige grijpkracht van m'n verbeelding, maar dat gaf niets. Tot ik eindelijk je bloedend en gekneusd zag wegdragen. Dan leed ik huiverende smart, al wist ik dat 't abstrakte fantasie was. — Bij een zoo sombere afwikkeling kwam dan van zelf de rem, die de voorstelling in z'n tragischen kronkel afbrak.
Dacht ik 'n kwartier later in de donkere alkoof iets te zien schimmen, ik stond dadelijk op 't kerkhof. Dat hinderde op-zich-zelf niets. Maar dan kwam weer de woeste en ragfijn doorgevoerde tragiek, die geheel scheppend doorwerkte, en m'n liefste vrienden in de fantastische realiteit meetrok ; tragiek die niets anders de lucht inschoot dan onheil-verhui-