150-
zien, en waarvan ik toch vaststel dat de grondkern precies zóó gebeurt of gebeuren moet. Maar daarover als ik je van mijn werk ga spreken.
In mijn ziekte nü werd de begrenzing van mijn verbeeldingsvermogen niet meer door m'n gezonden wil beheerscht, kwam er van zelf 'n pathologische storing.
Grilvormig vergroeiden de verbeeldingsfeiten in een logische verschuiving van allerlei verschrikkingen. Vóór m'n ziekte in even sterke mate in me levend, kon ik telkens tusschen den voorstellingsgang m'n wil smakken, de tafreelenreeksen breken naar willekeur, de tragiek stuiten en de verwikkeling tegengaan. In m'n ziekte was ik die macht kwijt. Toen ging het dolzinnige verbeeldingswoelen z'n eigen warrelgang. 't Overmande me, putte me uit. 't Gaf me de violentste emoties die toch m'n vernuchterd en ontsteld Ik niet wilde ondergaan.
Telkens schudde ik den visioenairen aansluip van dat verbeeldingsleven wèg, maar na 'n poosje drong alles weer op me aan, omsingelde mijn gloeienden geest, en al kompleter, klaarder en heviger groeide die onzinnelijke realiteit, méé met de vlam van mijn koortsige onrust roodfel aangelaaid. 't Was werken, scheppen, maar onafgebroken en naar de demonische willekeur van mijn onbeheerschte verbeelding.
Hoe dikwijls Florence, heb ik je toen niet geroepen, gesmeekt me te verlossen van die macht, die nu in mezelf tot ontzetting werd.
Ik. leed onzeggelijk hevig. Gelukkig hield dat wakende droomleven niet langer dan 'n paar weken aan. Eindelijk trad m'n wil weer op, vermocht ik de woelingen van mijn verbeeldingen terug te stuwen naar de duisternis van haar vreeselijken oorsprong.
De golvingen van mijn wil doortrilden me weer geheel en ik voelde dat het dubbele en uitputtende realiteitsleven zou ophouden te bestaan.
En toch lieve mag je niet denken dat het 'n soort delirium was, b. v. 'n hallucinant zien van ratten met vuuistaartjes,