147-
Mijn ellende bleef weken zóó, zonder vooruitgang, zonder 'n spoor van nieuwe kracht.
Mijn dokter sprak me geen moed meer in. Hij wist dat ik psychologisch te scherp afleidde en te snel waarnam om me te kunnen bedriegen.
Elke aarzelingsnuance in z'n stem, bij 'n vraag van mij, hoorde ik verschuchteren. En iederen dag voelde ik mij verder van mijn werk verwijderen. Alle sterfangst was volkomen in me weggezonken, alleen bleef bange onrust dat ik m'n arbeid niet kon voleindigen.
Had 'n wonderdokter, 'n god-weet-wie, me toen gezegd : Je zult werken en kracht krijgen voor vijf maanden, maar des te eerder zul je daarna dood, ik zou 't met 'n snik van dankbaarheid hebben aanvaard. Had men mij gezegd: Je leeft nog vijf jaar als je niét, nog twee jaar als je wèl werkt, ik zou 't laatste in zaligheid en verrukking gekozen hebben, want 't brandde in me, 't woelde, snikte in me. 't Moest er uit. Voor jou kind, zou ik toch niets meer zijn. En ware ik niet aan de konceptie van 't werk begonnen, ik zou stom zijn gebleven ; ik zou gehoopt hebben 't wellicht nog eens uit te spreken als zooveel dat op ieder voel- en denkgebied in me leefde, en dat mèt mij zou zwijgen als ik zélf zweeg, stomgemaakt door den dood. Maar nu woelde 't half-af in me rond. Rompen, brokken, tronies zag ik ; armen die naar mij grepen, oogen die mij diep bestaarden ; oogen wijd en doorschitterd van groote pupillen als van uilen, menschen als torso's.
Hoe ik er doorheen geleefd heb Florence, 't is me nog half 'n raadsel. Maar ik wilde, wilde opperst me beheerschen, en dat gelukte me, hoe martelend ook.
Met mijn vriend sprak ik soms, verbrokkeld en hijgend, toch over alles.
Hij vond dat 'n genot. Ook mij m'n eigen gewaarwordingen te hoor en formuleeren. Langzamerhand vertelde ik hem alle gradueele aandoeningen, zoo rag en doortakt van fijne analyse