146
sidderende ontroeringszielen wil,.... hoor dat liefste, en je weet hoe m'n smeeken moest geweest zijn.
Er zijn snikken, en zangen alleen zóó, in dien tonenweedom te zeggen. De trillende verschuivingen van 't basgeklaag, meè met de diatonische verrukkingen, de stijgingen van 't sentiment, al hooger, hooger, in een droevender samenzang van iedere noot, verstervend, iedere noot als 'n zielekreun,.... zóó liefste, zóó smeekte ik om een oplossing van mijn angst en zorgen voor m'n werk.
lederen keer dat de benauwingen klemmender wurgden en eindelijk weer loslieten dacht ik nader tot m'n dood te staan, schimden de menschen uit mijn boeken angstiger voor mij op.
De worstel, de spanning waarin ik toen leefde, wachtend op wat herstel, om krom, gebroken, met beefhand, half lam, toch maar verder te schrijven, m'n ziel te ontlasten van het zware gedrang dier schepsels, — zouden die te vergeten zijn ?
Toen ik op 't ziekbed gesmakt werd, was ik pas aan 't begin van mijn arbeid. Maar de architektuur stond in ieder onderdeel vóór me.
Je hadt er al iets van gehoord, en ik weet nog hoe diep je 't in־leefde.
Toen kwamen er uren dat ik verder wilde. Mijn lam lijf vervloekte ik. Ik wou den dood tergen, ik wou wérken, werken !
Ik smeekte Zus op te schrijven wat ik dikteeren ging, ik smeekte de verpleegster, den dokter, maar ze bleven doof voor m'n aandrang.
— Als je wilt dat er nog iets van je terecht komt zie dan af van al je schrijven.... blijf rustig, kerel, kerel, ik smeek 't je !
Dat zei m'n vriend zoo innig, zelf zoo bleek-ontroerd dat ik mij toch weer beheerschte en met 'n marmeren wil dwong tot kalmte.
Ik liet de halfgeschapen schepselen maar in mij roepen naar hun vader....
Ik deed alsof ik niet hoorde ; ik rilde wel, maar ik luisterde niet.