145-
begreèp, begreèp ! Hij voelde hier te staan voor 'n heilige ontroering. Hij moést voelen dat nü sterven, midden in den groei van mijn werk zou zijn als 't vermoorden van 'n barende vrouw, of iets van zóó martelende wreedheid. En hij weende met mij om m'11 gloeiend smeeken en roepen. En uit z'n stil verpletterd meeschreien voelde ik dat z'n objektiviteit versmolt in den geweldigen ernst van het tragische geval. En luider, al luider bimbamben in somberen zang de doodsklokken langs m'n ooren.
Met wat bezorgde liefde keek ik dagen en nachten naar de schepsels uit m'n boek. '
Je weet kind, hoe razend lief ik den kunstarbeid heb, hoe lief mij 't scheppingswerk is.
Er waren voor mij nooit goddelijker uren in 't leven, dan de tijd waarin al wat van vèr geklonken had, al wat vaag zich verwoelde in mijn ziel, daar ging opstaan in den stuwen-den uitingsdrang, als ik 't geboortevocht de innerlijke, metgeest-geschapen wezens zag omvloeien.
En nu lag ik neer, machteloos, met dien drang tot scheppen toch in me.
V.
Heerlijke ! Heb je wel eens gehoord 'n simpele akkoordoplossing ? Hoe 'n eenvoudige wisseling van harmonieën 'n allerdiepste ontroering je geven kan ? Maar ook 'n bevrediging, 'n zalige bedwelming in het opgeloste klankzingend uitruischen van de harmonie ?
Hoor den wonderen groei, sonoor, vol klankenpracht, in groep-akkoorden van Beethovens Sonaten ; 't weven, 't onderweven, 't zingen, gonzen, trillen, schreien en zachtkreunen van 't zieleleven. Hoor 't stille aanjuichen en weer wegdroe-ven, zie 't donkeren en lichten, 't schaduwen en kleuren van iederen toon. Hoor er in 't minnen en vragen, 't vragen vooral, 't geheime vragen aan 't groote leven wat ze met onze arme
10