44
weer door z'n lijf voelde stroomen, en met zijn, van wraak-hartstocht bevende reuzehanden de tempel-pilaren bijeen rukte, al zijn vijanden, de hoonende bespotters van z'n weerlooze blindheid en zich-zelf begroef onder 't heete onweer, den aardbe-venden dreun van het neerstormend tempelpuin.
Er is nooit grootscher en levensbreedere tragiek geschreven dan in deze simpele episode. Maar als mannetje, met de fijn-zwevende fantasie van een gevoelig joodje, voorbeschikt alle duisterheden van taal en visie, tot in-'t-kernst-eigene, zonder verklaring, alleen met eigen intuïtie te omvatten, op te lossen, voelde ik toen al de ontzetting van 't Simsondrama voor mij 't meest, 't breed-menschelijkst, niet in z'n smaad, niet in z'n volvoering van wraak, maar in zijn heilig-ontroerde momenten van bidden aan God om kracht, om nog één keer te voltooien, al ging hij zelf er bij onder, wat hem toén 't hoogst scheen.
Dat smeeken van dien blindgestoken reus, dat vurig erbarming vragen is van een zóó groote droefnis, dat ik er nu en eeuwig weer bij sidder van ontroering.
En zoo heb ook ik 't leven gesmeekt, niet om me uit 't doodenrijk te houden, — dat kon niet meer, dat voelde ik en maakte me ook niet meer bang — maar om nog éénmaal, éénmaal kracht te herwinnen van vroeger, mijn arbeid te kunnen afmaken die ik met een ziel vol verrukking had opgezet, die menschenpassie te mogen afbeelden, die gestalten te kunnen boetseeren tot de laatste trek gedaan was, en dan te sterven !
Dat smeeken, liefste, was een der vreeselijkste tijden van m'n ziekte. Want voor mij bleef 't 'n vragen aan blinde machten. Ik wist niet waar ik heen moest, ik alleen met m'n kosmischen godsdienst.
Ik smeekte mijn vriend me te zeggen of hij me niet kunstmatig zóó kon herstellen dat ik ten minste nog 'n vier maanden wist te schrijven, al ging ik er dadelijk daarna bij ten onder.
O ! lieve ! Hij lachte niet meer om m'n smeeken ! Hij