147-
pexid kunstenaar snapt; die noch in zijn voorstellingsleven, noch in den aard van zijn dramatisch sentiment doordringt; die ook niets fundamenteels van de grootheid der kunst begrijpt, zich alléén allergewichtigst voelt tusschen de hypothese van z'n ziekteleer. Maar om een nog diepere reden vertrouwde ik hem. Hij was zelf artistiek-voelend en met de grootste zuiverheid van wil en vermogen drong hij door in onze affekten.
En dan z'n prachtig-menschelijke natuur. Er was in hem nooit iets van een poseerenden polsvoeler en wijsdoenden receptenschrijver. Hij was ècht-nederig en écht beslist.
Florence, als je'm in z'n onderzoek aan mijn bed gezien had ; z'n bescharrelen, in dat donkere alkoof, van 'n lichaam dat zich niet van rechts naar links kon draaien. Als je had gezien 't onafgebroken flonkeren en spatten van z'n scherts ; z'n levendige gevatheid, z'n fijnzinnig overal zich tusschen-werkend vernuft met arabeske van gracie zich door z'n zinnetjes heenstyleerend, o, je zoudt 'm gekust hebben !
Ik voelde dat hij zich met heel z'n ziel aan mij gaf, met z'n diepste kunnen en willen.... Ik voelde z'n liefde, z'n bedwongen passie voor mij bij iedere handeling. Nooit bijna zei hij me wat van m'n werk. Maar 'n enkele keer liet hij 'n paar zinnen los die mij doorsnikten van geluk, omdat ik dan voelde hoe geweldig hij het had ingeleefd.
Ging hij weg dan viel de duisternis van de alkoof driemaal stikkender over mij heen. Dan bekroop me weer sluimer na sluimer, waarin ik in koortsbrandende fantasie een wereld van ontzaglijke vreemdheid om mij heen zag wentelen.
Florence! Wat ik in die bange jaren doorleefde, dat is bijna onuitsprekelijk.
'n Woord dat ik meestal hol, rhetorisch vind, maar hier nog dor lijkt van nuchterheid. Ja kind, onuitsprekelijk !
III.
Ik voelde dat ik 't Doodenrijk naderde. Ik had gemerkt dat mijn vriend Van Daalen al ernstiger, onrustiger gezicht