139-
ben mocht; dat ik me moest vervelen wilde ik 'n kansje op herstel zien naderen.
Ik moest leeg worden, leeg en emotieloos.
En Zus zou zorgen dat niemand me onverhoeds overviel; indringerige vrienden, familie, belangstellenden. Elk stormig aandringend, sluipend, of haar verteederend bezoek wees ze met sterke, zelfbewuste zekerheid af.
Broers, vrienden, vriendinnen, allen duwden ze den eersten tijd op zij, zoodat ik zelf alleen gedruischlooze, vage gesprekken hoorde, heesch-verfluisterd in de woonkamer.
Dag aan dag bleef ik verschroeid in 'n heete koortsige klamheid, verviel ik van den eenen, van dolle droomen doorjaagden en verwoesten slaap in den ander. Vóór mijn bed, in de duistere alkoof, zag ik bij wijlen 't gezicht van de verpleegster, schimmig en stil.
Zus verzorgde 't eten voor ons drieën en heerschte alom.
Kwam mijn vriend-dokter dan ging er heel hevig 'n stille juich in me öp. Uit de grootste apathie wist hij me op te wekken, weer te brengen, met z'n warme, menschelijke innigheid, z'n heerlijke scherts, z'n goedlachschen spot en fijne sar-kasmes, waar ie me hebben wilde.
Vriend, hoe wordt m'n ziel nog doortrild van een allerhoogst dankbaarheidsgevoel als ik je herdenk !
M'n herinneringen aan jou zijn feesten voor m'n ziel! Er is in me 'n gewapper, geklapper van vaandels en vlaggen, die in windspelen hun taal spreken van jolijt en luchtknallende vroolijkheid. En soms zijn die herinneringen aan jou alsof ik den ganschen dag niets dan lijkwagens en rouwstoeten ontmoet op mijn stilsten peinsweg.
Eindelooze weedom deint in mij aan !
Waarom, waarom moest alles zóó gaan ?
Florence, nooit in m'n gansche leven niet, heb ik 'n dokter gezien met zoo vriendelijk-mooie oprechtheid, zonder de geringste aanstellerij. Nooit één die zoo weinig gewichtig deed.