136-
alles weten, ik verbrokkelde de zinnen, ik verstamelde een tragedie, met de stem van een stervende, maar hij begreèp, doorvoelde.
Z'n klein, mager lijf zat tegen de beddeplank opgedrukt. In de donkere alkoof duisterde m'n verleden. Zacht verzocht hij de verpleegster de rechterdeur wat te openen.
Op z'n gouden bril kwam nu vonkerend geschitter trillen van zonlicht uit de voorkamer.
Vroom zat hij te luisteren, roerloos met de fijne en levendig-sterke aandacht van een persoonlijk denker, een stroeve peinzing die mij deed voelen dat ik begrepen werd.
Z'n geestige oogen, en heel z'n sprekende Heiniaansche kop verwerkte wat hij hoorde. Ik had 'm veel van m'n lijden en werken verteld, — ik voelde dat 't genoeg was.
Uitgesproken, lag ik doodop, ademloos, éven met bevend gesloten oogen neer.
Ik begreep dat hij als dokter me niet zoo had mogen vermoeien, maar ook, dat hij door ineens alles te hooren, ook scherper z'n diagnose kon stellen.
Want hij kon niet gedacht hebben, dat ik zoo doodelijk verzwakt was.
Zacht draaide hij zich om en greep m'n pols.
— Ik blijf 'n uurtje bij je, jonge. Wees maar kalm.
Ach Florence die stem, dat moedgevende, prachtig-diepe altgeluid en die luchtige ironie in allerlei voorbijvliegende komische opmerkinkjes, fijn uitgeraket, speelsch, toch nooit druk, statig en rustig, — o ! hoe herkende ik weer elke wending van zijn prachtig vernuft! 't Gaf me dadelijk een zekere opleving, 'n vertrouwen. M'n apathische sluimer en psychische inzinking kreeg 'n vitalen terugschok.
Hij onderzocht me geheel, alles heel langzaam en zacht ; want hij zag hoe uitgeput ik hijgde. Zus hielp, stond hem bij met de petroleumlamp. Ik vertelde hem nog wat van m'n martelenden hoofddruk, m'n sensibiliteit voor geluiden, van m'n nerveuze stikkingen telkens en m'n helledroomen.
Hij luisterde weer en onderzocht.