T3I V.
Zoo zie ik veel ongeschreven drama's en epoden in 't leven.
Gelukkig de enkelen die in harmonische kracht zich gróót uitspreken kunnen.
Maar een doodeenvoudig visscher, hier aan 't barre winterstrand, die bij hevig stormweer en noodzwalpende golven, zijn lijn uitschiet, of in de reddingsboot stapt waar allen aarzelen, z'n roeiers beveelt, met 'n gezicht, waarop de eeuwigheid kracht en deernis heeft gestriemd, Florence, zoo een doodeenvoudig visscher ondergaat in die uren dadelijke aanraking met 't hoogste dat er in 'n mensch kan leven.
Niemand durfde, en zijn zware stem dondert 'n bevel, de roeiers kruipen in hun sloep, bevend en beschaamd en hij dreigt ze den kop te verpletteren als ze niet doen wat hij verlangt. En stroef en geweldig ziet hij uit, onder den zuidwester naar 't gestrande schip in nood, en wenkt de gillende schepselen toe, moed te houden.
Florence, voel je den huiver van heiligheid bij zoo'n daad ?
Is dat niet zelf 'n epos, 'n drama, 'n lied, 'n zang ?
Hij is iemand in aanraking met 't heroïsche, 't goddelijke !
Heel het groote, klassieke epos heeft aan zulk soort schepsels z'n merg te danken. Zoo'n kerel draagt in de hitte van zijn bloed een • machtigen ontroerings-hartslag mee. — Daar is geen berekende humaniteitszin, geen lor ,,ethiek" bij. Maar het is één vorm van groot levensschoon dat zich in dien robuusten reus zóó heroïsch openbaart.
Hier geen slagveldmoed die narkotisch werkt en krankzinnigheid lijkt.
Hier een daad als 'n donderslag, geweldig mèt bewustzijn van heroïeke kracht, daad van een ziel die in 't volle licht van 't Eeuwig-goede arbeidt.
Is 't ijdelheid ? 't Vooruit zien blinken van de reddingsmedaille ? Belooningszucht ?
Groote goden ! die kniezerige bepeuteraars van 't machtigste levensgevoel!