128-
kristal-zuiver om mijn uitingen, dan sla ik dat gekal neer, zooals ik uitingen van jaloezie, afgunst, wrok en kleinmen-schelijk venijn verpletter, met den allerdiepst-moètenden voortgang van al nieuwer werk.
Florence, ik ben niet trotscher, ijdeler, niet hoogmoediger dan alle gewone menschen.
Ze zullen 't wel zeggen als ze dat lezen, maar ik zal er om schateren.
Ik weet dat wij menschen eigenlijk allemaal nietelingen, onbeholpen dwazen zijn.
Maar de groote kunstenaars zijn ten minste nu en dan sublieme dwazen.
Ik weet dat wij nederigjes, fatsoenlijkjes, en bescheidenlijkjes moeten zijn.... en ook mogen wezen.
Ik weet dat wij met al onze gewichtigheid en voelingen toch door de eeuwen heen verstuiven als strandzand.
Maar 't is me, ook vóór mijn ziekte, heel klaar geworden, dat we in ons de hoogste bevatting hebben van 't leven ; dat we in ons een goddelijke kern dragen, die ieder in zich zelf alleen kan ontbolsteren, als hij juist het groote menschenleven in al z'n vormengroei vermag te doordringen.
Wij hebben bewustzijn van onze nietigheid tegenover den Kosmos.
Maar dat nietigheidsgevoel getuigt juist aan den anderen kant weer van onze grootheid. Zeker, we zijn onder het ster-renheelal, pygmeetjes, zwatelaars. We voelen in ons rond-duizelen een vaag besef van 't Eindlooze, als we onder 't nachtazuur opstaren naar 't luidlooze, eeuwige Heelal. We staan stom, verslagen, zielsbevend voor de ontzettende zeezwalping en den dondertoorn van 'n stormzee, als voor 't groot-bange gerucht van een oer-onweer.... Maar wij kleine zwatelaars staan te trillen met een goddelijke ziel vol schoonheidsontroering, wij stamelaars omvatten, probeeren te doordringen, te betasten, te doorvoelen al die grootschheid.